Het is mij ook een raadsel....

Dit artikel is geschreven door Mariëlle

Een deel van de processen in je brein gebeuren onbewust. Het is dus heel goed mogelijk dat je wel weet wat je denkt maar niet waarom. Als je je gedrag niet kunt verklaren, is het misschien beter hier eerlijk over te zijn. Als mensen zijn we geneigd overal een reden voor te willen geven, zelfs als die er niet is.

In 1944 hadden Heider & Simmel een experiment bedacht, in eerste instantie om te kijken hoe de omstandigheden invloed hebben op de manier waarop we andermans gedrag beoordelen. Uiteindelijk kon je uit het experiment meerdere conclusies trekken. Je kunt zelf doen alsof je een proefpersoon in het experiment bent en volgend filmpje kijken:

Hoe zou jij beschrijven wat er in het filmpje gebeurt?

De onderzoekers hadden de proefpersonen in drie groepen ingedeeld. Groep 1 (34 personen) kreeg algemene instructies zoals hierboven. Aan groep 2 (36 personen) werd gevraagd de bewegingen te analyseren alsof de figuren menselijk waren en deze groep mocht vragen beantwoorden als “Wat voor persoon is de kleine driehoek?”. Tot slot kreeg groep 3 (44 personen) het filmpje achterstevoren te zien, waarna de groep een selectie van de vragen van groep 2 beantwoordde.

Wat bleek? Op slechts drie personen na (één in groep 1, 2 in groep 3) werd de animatie beschreven alsof de figuren menselijk waren. Dus zelfs als de vraag daar geen aanleiding toe gaf. Volgens de onderzoekers zou personaliseren de enige manier zijn om van de chaotische losse beelden een enigszins logisch samenhangend geheel te maken (bron 1).

Dit toont aan dat voorwerpen die onvoorspelbaar zijn, bewustzijn krijgen om acties te verklaren. Je gaat als het ware hun niet-bestaande gedachten lezen.

Voor het gedrag dat werd toegeschreven aan de voorwerpen bleek het uit te maken in welke volgorde de bewegingen te zien waren. Hieruit blijkt dat de situatie invloed heeft op welke gedachten worden toegekend.

Maar toekennen van gedachten om het voor onszelf begrijpelijk te maken, doen we niet alleen bij chaotische voorwerpen. We doen het met onze medemensen en zelfs met onszelf. Hoe zeker ben je dat je gedrag in een hypothetische situatie in overeenstemming zal zijn met hoe je je denkt te gedragen? Is dat terecht?

Milgram (link video) liet proefpersonen elektrische shocks toedienen aan ‘leerlingen’ (die eigenlijk acteurs waren) op verzoek van een autoriteitsfiguur. Uiteindelijk gingen de meeste proefpersonen zover in gehoorzamen dat ze de leerlingen potentieel levensgevaarlijke shocks toedienden, ondanks het geluid van lijden dat de leerlingen maakten. Vooraf en ook achteraf zouden deze proefpersonen nooit hebben gedacht zo beïnvloed te worden door een autoriteit.

Het kan echter ook positief uitpakken. LaPiere reisde met twee Chinese mensen door Amerika in een tijd dat Aziaten daar beschouwd werden als minderwaardig. Bij slechts één van de 251 locaties werd hun een overnachting geweigerd. Na een half jaar stuurde de onderzoeker naar elke verblijfplek een brief met de vraag of ze Chinese gasten zouden accepteren. Meer dan 90 procent zei ‘Nee’. Al deze mensen dachten dus onverdraagzaam te zijn, maar minder dan een half procent gedroeg zich in werkelijkheid zo (bron 2).

DE "BLACK BOX" IN ONS HOOFD

Volgens Nicholas Epey begrijpen we, om terug te komen op het eerste experiment, dat we anderen niet graag pijn doen, maar vergeten we hoe lastig het is om nee te zeggen tegen een geruststellend autoriteitsfiguur. Of we zijn ons onbewust van de gedragsmatige reacties die automatisch tot stand komen als een glimlachende, vriendelijke Aziaat om een kamer vraagt, terwijl we menen iets te hebben tegen deze mensen.

Hij verklaart dit doordat we slechts toegang hebben tot een deel van wat er in het brein gebeurt: de triggers en tussenliggende hersenprocessen zijn een black box. We maken een mooi verhaaltje ter verklaring van onze acties, automatisch en snel, waarbij wat we niet weten buiten beschouwing gelaten wordt (bron 3).

Bij het proberen te lezen van andermans gedachten ben je je hiervan meer bewust. Iemand lacht en kijkt naar een spotprent: Hij vindt de prent grappig, is je conclusie. Maar zeker weten doe je dat niet of wel? Nu wordt je zelf gedwongen naar een prent te kijken met een glimlach (door een pen in je mondhoeken vast te moeten houden) en je zult ook aangeven de prent grappig te vinden (bron 4). Het is de vraag in hoeverre je de prent echt grappig vindt. Sta je hierbij stil?

Pas als je een situatie daadwerkelijk hebt meegemaakt, kun je redelijkerwijs een inschatting maken van hoe je je gedraagt en hoe je je voelt. En dan nog kan het zijn dat de helft van je handelingen geen verklaring heeft, dat ze op de automatische piloot gingen.

Nu ik dit alles weet, durf ik bij mijn therapeut aan te geven dat ik het gewoon niet weet. Vroeger zou ik een verhaaltje hebben verzonnen of een reden hebben willen geven voor mijn gedrag. Daarmee breng ik mijzelf en mijn therapeut op een vals spoor. Een verklaring noemen ging min of meer automatisch. Nu blijkt: Af en toe een raadsel zijn, voor jezelf en een ander, mag en is helemaal niet gek. Zolang je weet wat je doet en welke gevolgen dit heeft, is het waarom in eerste instantie minder belangrijk.

Bron 1:
Heider F & Simmel M. (1944). An experimental study of apparent behavior. The American Journal of Psychology, 57(2): 243-259

Bron 2:
LaPiere RT. (1934). Attitudes vs. actions. Social Forces 13: 230:37.

Bron 3:
Epley N. Mensenkennis & misverstanden. New York: Alfred A. Knopf, 2014.

Bron 4:
Strack F, Martin LL & Stepper S. (1988). Inhibiting and facilitating conditions of the human smile: A nonobtrusive test of the facial feedback hypothesis. Journal of Personality and Social Psychology 54: 768-77